Een verliefde kreeftenvisser

Een verliefde kreeftenvisser. Desmonde O’Reilly is kreeftenvisser. Hij vist, als het seizoen daar is, ook op krab. Ieder jaar na 1 juni vist hij met staand wand op zalm. Desmonde is 28 jaar oud, heeft hetzelfde donkere haar wat de rest van zijn familie zo kenmerkt. Buiten dat sieren zijn, nog lang niet tanige maar wel Ierse gezicht twee diepzwarte, alles opmerkende, melancholische ogen. Maar treurige ogen passen wel bij een visserman, dunkt me. De romantiek van een verliefd visserman. Verliefd op een verre vrouw, verliefd op een deinende zee. Als ik nu even heel eerlijk ben dan hoeft het hele kreeftenvissen niet zo nodig van mij hoor. Ik heb het ook niet zo hoog met die smulpaperij ten koste van alles, zonder enige scrupule. Het is het vissersleven wat mij trekt, de romantiek ervan. Van mij mogen al die kreeften weer…nu ja. Al een jaar geleden maakte ik een afspraak met Desmonde. Die wordt nu ingelost. “It ‘s supposed to get rather rough out there this afternoon Adrian”, zegt hij met z ‘n hoofd richting oceaan knikkend. “Do you mind? Ever been seesick?” “Eh… neejor!”, roep ik flink.

Cloongleggan

Als je vanuit Galway door het fraaie Connemara via Ougtherard naar het westen rijdt, dan kom je uiteindelijk in het mooie stadje Clifden terecht. Gelegen aan de fraaie westkust van Ierland. Vanaf Clifden kun je nog een beetje verder naar het westen, maar in het dorp Cloongleggan houdt Ierland eigenlijk zo ‘n beetje op. Voor je glinstert daar dan de oneindige oceaan, met dikke propperige Cumulus bewolking erboven. Mocht je in Clooncleggan uitstappen dan kun je nog een eindje de pier op, langs de haven wandelen. Diep de geur van zee en zilt insnuiven, je haar in de war laten waaien of genieten van de jakkende zilver- en mantel meeuwen. Het gekeutel in de haven. Als je geluk hebt zie je er ook de als sikkels wegscherende Jan van Genten. Als je wilt kun je verkwikt, na al die wind en verwondering een prettige pint vatten in de Pier bar. Waar de moeder van Desmonde O’Reilly vriendelijk doch beslist de scepter zwaait. Een vrouw in een omschorte blommetjesjurk, met donker haar, vrolijke pinkel oogjes, rode koontjes en genadeloze armen. De pint die mij werd ingeschonken smaakte zoals verwacht. Ik informeer naar Desmonde. “Oh, ‘ye must be the Dutch reporter he ‘s expecting, now are ‘ye? Now Desmonde is on ‘is boat. He ‘s always on ‘is boat that feller. He loves the sea ‘ye know. I ‘ll ask Rita to get him for ‘ye… Right!?… Rita!…Rih-ta!!..” “Coming!. De mooie Rita met ravenzwart haar komt naar beneden. Knikt kort groenogig in mijn richting. “Fetch yer brother for this gentleman, now will ‘ye?” “Sure mum”, zegt ze. Loopt naar de deur. Ik denk nog even dat ze helemaal naar de haven zal wandelen om Desmonde te gaan ha… Ze opent de pubdeur, haalt diep adem… en roept,… nee ze gálmt met een volume wat je zeker niet binnen zo ‘n fragiel gebouwde Ierse fairy verwachten zou; afstand, stevige wind en jakkende zilvers volkomen overschreeuwend:… “DESS.. MOOoNDEE..E…e..e..!!!” Ik hoor een tijdje helemaal niets. Pas als de ramen zijn uitgerammeld en de nerveuze meeuwen weer op het dak van de afslag zitten, draait Rita zich grijnzend naar mij om en zegt, “He ‘s coming down now, mister”. Moeder kijkt met opgetrokken wenkbrouwen en kleine spotvonkjes in de ogen naar mij. Ze zegt grinnikend, een verse pint intappend: “I figure that if ye ‘re ever having trouble at sea in a blazing storm, or what ‘ave we out there. It just might be a smart idea ‘aving Rita aboard. She surely will get someone ‘s attention! Don ‘t ye agree?..!!?”. “Oh sure, I ‘m most possitive!”, zeg ik, het gemorste schrikbier van m ‘n broek deppend.

Oh great ocean

“Zullen we dan maar”, oppert Desmonde. We varen het haventje uit. Desmonde ‘s boot is een meter of twaalf lang, heeft een kleine kajuit, waarin ik allerhand ondefineerbaars ontwaar. Het scheepje heet ‘Ruben Bulmore 2’. De rest van het schip is puur ‘laadruimte’. Er hangt een wat vette, zurige lucht, die herinnert aan rooktonnen, teer en gerookte makreel. Die specifieke geur die me zomaar weer even terugjaagt naar de binnenhaven van Scheveningen. Ooit. Zie je nou wel, vissen is pure melancholie. Onder de boot schuimt het smaragd blauwe oceaan water. Achter ons aan vliegt een klein escader meeuwen van diverse pluimage. Veel juvenielen. Buiten de baai waaraan het dorp Cloongleggan ligt loopt een flinke deining, schuimkoppen op de golven. Ik kijk er enigszins bezorgd naar. Hoop maar niet dat ik zeeziek zal worden ofzo. Ik had er nog nooit last van, maar ik zie met enige zorg de deining dichterbij en daarmee vooral steeds hoger worden. De wind is stevig, de bewolking is schitterend. Overal zie ik buien onder het grijs hangen, erachter zilvert de oceaan zonspettend in het licht. Fel wit steken de meeuwen af tegen de donkere wolken. De zon tovert met regelmaat regenbogen voor ons. Daar heeft Desmonde echter geen tijd voor. De eerste kooien liggen net buiten de baai en “daar spookt het aardig”, roept hij lachend boven de golven uit. Dat klopt. ‘Cleggan point’ heet het hier. Grote golven slaan bruisend over Gleggan ‘s point heen. Als hij de motor stationair laat lopen en met een pikhaak de eerste boei oppikt, moet hij direct weer naar binnen om de boot terug te manouvreren. Cleggan point is nu zeer nabij en ik constateer dat het wel een hele grote point is. Diep schuimt daar het water, helt lichtblauw naar Cleggan ‘s point om dan in een zee van vonken uiteen te spatten.Wat een tumult. En zo opeens.

Kreeft

Buiswater slaat ook al over de boot en ik begrijp nu waarom Desmonde reeds in de baai z ‘n felgele oliegoed en laarzen aantrok. Als de boot weer min of meer op koers ligt slaat Desmonde het touw om een winch en zet die aan. Met grote snelheid rolt het touw nu binnen, maar met regelmaat moet hij echter bijspringen omdat de winch het niet redt. Er moet vreselijk aan getrokken worden. Hij doet dat met overgave… “Oh Holy Maria, Mother ‘o God…….”, roept Desmonde en grijnst in mijn richting. De eerst korf komt in zicht. Desmonde haalt er twee krabben uit en gooit die terug, de vele zeesterren pulkt hij eraf en werpt die achterloos in de boot (“waar zeesterren zijn, daar zie je geen kreeft”, zal hij me later uitleggen. “Ik haat ze…..” ). Dat moet allemaal snel gebeuren, want de zee deint en de boot drift snel over de string. Desmonde vult de aaskorf met een handvol aas en sluit hem, dan gooit hij de korf achter in de boot. Viert het touw ervoor. De tweede korf heeft ongeveer eenzelfde inhoud, zo ook de derde en de vierde. Bij de vijfde roept ie, “Ah lobster”. Ik zie een twinkeling van plezier in z ‘n kwajongens ogen. Het is een flinke kreeft. Blauwzwart van kleur die met veel geklapper protesterend in een mand verdwijnt. De boot dient weer te worden bijgestuurd en Desmonde komt druipend de kajuit weer in. “Weet je”, roept hij hijgend, terwijl hij z ‘n kapuchon afdoet. De motor brult en de deinig slaat nu vol over het scheepje heen, diep blauw, met turqoise groen en veel, heel veel schuim. “Weet je, ik heb in Boston een heel aardig meisje ontmoet. Love of my life. Mary Ann…. beautifull girl”, zegt hij er grijnzend achteraan, er veranderd duidelijk iets in zijn ogen. Hij zekert snel of alles wel goed meedraait, lacht naar me en roept boven het tumult uit. “Ik denk er serieus over om daar te gaan werken.” “Als wat?”, brul ik verbaasd terug. “Bouwvakker”. Eer ik wat kan opperen is hij alweer aan de winch aan het sjorren. Of het allemaal nog niet nat genoeg is trekt er een kletterende bui over ons heen. Desmond weet van geen schuilen en is met de laatste twee korven bezig. Acht kreeften heeft hij in de eerste streng van twintig gevangen. Twee moesten er terug omdat ze de wettelijke maat niet hadden. Alle korven staan nu logisch opgestapelt achter in de boot. Een heel legioen meeuwen volgt de boot. Pikt het afval, de resterende partjes, de snacks op uit zee. We zien er ook zwarte zeeeenden en af en toe knorrende alken tussen. Inderdaad net als sikkels scheren er Jan van Genten, wit oplichtend in de nu hel blauwe lucht. Wat een vogel! Na een minuut of tien, vraagt Desmonde mijn maat Andries of hij de boot naar eh..die rots wil sturen. Dat hoef je Andries geen twee keer te vragen. Desmonde gaat naar buiten en gooit de eerste boei uit. Met flinke snelheid rolt het touw erachter aan en stuk voor stuk werpt hij de korven weer in zee. Opeens zie ik wat een risico Desmonde loopt als hij alleen is. Want dat is hij normaal altijd. In z’n uppie. Een fout en hij wordt overboord gerukt. Een fout en z’n hand slaat tussen die als een dolle wortel draaiende winch. Een fout….

Van Cuddoo Rock naar Dog Rock

De tweede streng brengt ons vijf kreeften. Weer veel krabben en ontelbare zeesterren. Ook een kleine leng, die met een klap op de rand van de boot de hersens wordt ingeslagen en als aas bewaard wordt. Vissers gaan toch wel iets anders met dat soort dingen om als wij. We drijven nu voor Mathooa Island met erachter Friar Island. We moeten honderd ‘pots’ binnenhalen en we zijn pas met de derde streng. Da ‘s zestig. De zee wordt hoger en het weer slechter. Ik niet ziek, maar da ‘s geen verdienste. Wel heb ik zere armen en een geschaafde knie van het niet aflatend heen en weer gegooid worden. Het constante gevecht om het evenwicht. Een keer donderde ik languit het kajuitje in, maar gelukkig net in de armen van Andries… “Kommaarhier’roor”, riep de engert ook nog. Probeer maar eens een aardige foto te maken in zo ‘n deining, nog afgezien van wat er af en toe aan water overwappert.

Inktvis

Tijdens het binnenhalen van de vierde string komt uit een van de potten een blazende bruin-oranje-inktvis tevoorschijn. Het lichaam is ongeveer zo groot als een kleine ovale voetbal, de tentakels zullen krap de veertig centimeter halen. Op het dek krabbelt het dier razendsnel, weer blazend achteruit en spuit water in de richting van Desmonde. Ik verbaas me over de snelheid en over de manier zoals het dier zich, ook op het droge, weet voort te bewegen. Met de intvis heb ik nu echt te doen en ik vraag me af wat Desmonde er toch mee van plan is. Hij pakt het dier weer op en stopt het in een van de kuipen, gooit er een juttezak half overheen. Wat moet je nou toch in ‘s-Hemelsnaam met een inktvis? Desmonde is inmiddels al weer druk in de weer met kreeften verzamelen, krabben bevrijden of met de arme zeesterren. De inktvis lijkt snel vergeten. Blijkbaar. Ik kijk naar het krat waar het beest in verdwenen is. Niets… Maar….opeens trilt er een zoekende tentakel uit het krat. Nerveus voelend. Dan nog een. Dan verheft zich uiterst traag de inktvis, verend hangend aan z Œn tentakels behoedzaam uit het krat. Alsof hij even wil kijken of de kust wel veilig is. Dat is de kust niet, maar Desmonde staat sputterend aan de winch te goochelen. Als was het dier van rubber, floddert het snel en lenig over de rand en golft over het dek, de tentakels rekstrekkend richting reling. Die reling is rondom gesloten maar onderaan ontwaar ik overal spleten om het buiswater te lozen…. en… fa-loep… weg is de inktvis. Ik veer verheugd op, voel me een verrader. En dat ben ik ook.

Rita?

Inmiddels wakkert de wind stevig aan. We moeten nog twintig potten. Maar Desmonde roept, dat hij het nu wel echt te ruig vind worden. “Force six or seven. Eight forcasted, it will be far to rough already at High Island”, roept hij. En erachteraan, terwijl er een enorme puts buiswater over hem heenklettert. “Begrijp je nu Adrian waarom ik naar Boston wil?”. Dat doe ik helemaal niet, maar ik knik laf. We dienen terug, terug naar de veilige haven, om een pint en een turfvuur. Terwijl er steeds forsere golven over ons kajuitje slaan. Het scheepje torent nu recht met stampende motor tegen de noord wester open dat vervult me met een prettig soort jongetjes sensatie. Ik vind het best knus in de kajuit, mis een gezellige kaars, of een knus vuurtje en waarom wordt er niet wat verse vis gebakken. Eigenlijk? Af en toe moet Desmonde even uit het zijraam kijken, of we wel goed gaan. Want die ruitenwisser houdt het niet bij. Hij heeft vandaag 26 kreeften gevangen. In het krat passen als het vol is zo ‘n veertig a vijftig kreeften. Daar krijgt hij op de afslag ongeveer 275,- Ierse ponden voor, dat is zo ‘n 635,- piek. Desmonde ondertussen vertelt met omfloersde ogen, af en toe in gedachten naar de einder toe wegzwevend, over Mary Ann en vooral over het fantastiese leven wat zij in Boston zullen gaan leiden. Maar in de zomer wil hij dan wel terugkomen voor de zalm. De zee blijft ondanks de plannen en zelfs lovely Mary Ann trekken. De marifoon knettert en we horen een knerpende vrouwenstem. Het is zus Rita die even wil horen of alles wel in orde is. We horen Desmonde terugroepen:” Whaat ‘s that yer saying?, ‘course we ‘re oke. I ‘m not stupid… Yes the lads too. Oh sure they liked it a lot…” en grijnzend naar ons…”I suppose!?…. Yes…. yes Rita soon Rita. Yep. Over… yep… over and out Rita!…” Hij loopt langs me heen naar buiten en mompelt grijnzend langs z’n neus weg; “…Women!..”

Ad Swier

met dank aan: Brian Hughes van Abbeyglen Castle, Clifden.