De Natuur

De natuur is een opmerkelijk fenomeen. Ik heb mij mijn hele leven al met de natuur bezig gehouden, altijd geroepen dat ik het meest van de natuur hield, als men mij al vroeg wat me het meest bezighield. Als geboren romanticus vond ik vooral ook veel troost in de natuur. En als het maar even mag doe ik dat nog steeds. Vooral in vogels en vissen vind ik veel wat mij boeit. Ik vind nog steeds dat ik een vogelgek ben. In de vroege jaren, toen ik net in Zwolle woonde, heb ik vooral veel rondgezworven. In die jaren mocht je nog gewoon in een weiland lopen. Zonder dat er meteen iemand kwam vragen wat je er deed. Waren de bordjes nog niet in al die variaties uitgevonden. Nog niet zoveel. Er ook geen wandelpaden met gele of rode paaltjes. De Natuur, de weilanden, met erin brandnetel gevulde wilgenbossen was nog een soort vrijhaven, buiten zijn voor zonderlinge eenpitters weggelegt. Ik sjokte als jongen door die weilanden, ook wel om naar kievitseieren te zoeken. Met de toneelkijker van m ‘n oom. Dat vond nog bijna niemand raar en de blikken vol ‘foei roepers’ waren nog niet zo breed voorradig en geopend zoals dat tegenwoordig te doen gebruikelijk is. Hoe verder men van de natuur verwijderd is, hoe sneller het woord foei op de lippen ligt. Moet je toch echt eens op letten. Wonend in een torenflat of in een herenhuis diep in het centrum of nieuwbouw buiten (doorzon) wijk van Den Haag of Amsterdam. Daar ligt het woord foei helemaal voor de hand. Opborrelend uit een door Disney zelf gevoedt (meestal best wel goed bedoeld)gevoel van een pathetische soort dierenliefde. Een wereld van strikjes en warme wolletjes voor het hondje. In de meeste gevallen slechts alleen opgedaan in het fenomeen natuurfilm en Discovery. Want wat kan er nu toch eigenlijk helemaal op tegen zijn om door een weiland te willen sjokken. Kijkend naar vogels, met de milde voorjaarswind rommelend in je haar. Eigenlijk bijzonder weinig meen ik. Als je ‘t niet door hoog staand maaigras doet. En dan het moment van ontdekking van zo’n nest. Maar foei, ‘dama-immersnuniemeerroor’! Ook toen al ging het me niet om de knikkers maar om het spel. Hoewel ik in mijn vroegste jeugd heus wel een een paar kwartjes opstreek, door een paar kievitseieren te verkopen aan hotel Gijtenbeek. De kok ze schierend in een pan water. Foei, zei er op een bepaald moment iets binnenin mijzelf, dus liet ik de eieren voortaan liggen. Zette er later stokjes bij, opdat de goedwillende boer er omheen kon maaien. Uit mezelf en zonder vereniging. Ik bewonder dus het fenomeen kievit nog steeds enorm en ben ieder jaar weer blij als ze terug zijn. Vooral ook als ik de grutto’s weer hoor. De tureluurs en de wulpen, de veldleeuwerikken, sterns en pluvieren. De zanglijster die iedere morgen bovenin in de hoge es zingt. De laatste ganzen die over de IJssel terug naar het noorden slieren, in hun lange V ‘s. De spreeuwen en mussen onder m’n dak. Wat zou de wereld afgrijselijk saai en grijs wezen zonder ze.

Wie in de natuur rondkijkt, echt rondkijkt, zonder onophoudelijk de ogen te sluiten, komt onherroepelijk oog in oog te staan met de natuur zoals die is. Er is een kant aan de natuur, die je af en toe in de ogen kijken kunt. Dan kijk je in een uiterst harde natuur. Zo bikkel, haast afschuwelijk en gruwelijk hard, dat je steeds weer schrikt wanneer je het ontdekt. Als je het nog net even ziet naflakkeren in een oog, waarin het licht net doofde. Zoals van die zeldzame Taigagans die ooit bij ons neerstortte. Vers aangeschoten door heren van Italiaanse komaf, had ze nog net de polder Mastenbroek uit weten te komen, maar stortte nu als een tweemotorige Mitchell neer op mijn pad, wat harder bleek dan ze hoopte. Ik zag haar aan komen wankelen, want ik stond net buiten. Neergekomen hield ze nog trots de kop hoog en blies en beet naar onze hulpzame handen. Haar tweede huis werd een doos vol hooi in het halletje van het mijne. Paulien of ik dwangvoederde haar, met het speciaal samengestelde en door een kenner voorgeschreven voer. Samen met Willem van Ittersum die haar stribbelende, blazende onwillige kop vasthield. “Hoe gaat het met de gans?”, vroegen de buren. “Hoe gaat het toch met je gans?” vroeg de postbode. “Het gaat wel goed met de gans”, zei ik na vier dagen voederen. Met Willem die z’n klompen er zelfs voor uittrok. Het was immers een zeldzame Taiga gans, waar er nog maar een paar duizend van bleken te zijn. Dus ik voerde, Paulien voerde en als Paulien er niet was voerde ik met Willem. Die z’n kop zo teder vasthield in die enorme boeren handen, tot het allemaal ineens omknakte. De lange hals omboog en de kop wegdraaide. Ineens was het moment daar. Een krabbelende poot ergens diep in de doos. Een wegijlende rilling. Opeens ook zag ik hoe makkelijk de natuur met leven en dood omgaat. In die fracties van seconden. Hoe vanzelfsprekend, zo zonder franje, zo mathematisch logies, maar ook zo eindeloos diep triest. Ik zag als het ware het licht wegkantelen in dat oog wat mij toch al niet begreep. Wat van zoveel niet begreep, van wat er de laatste tijd met haar gebeurde. Ik begroef haar in het weiland van Willem, in een diep gat. Met vochtige ogen en Fisherman ‘s friend gesnuif.

Dus ving ik m ‘n tweede zalm die week. Want er was water en ze trokken, na vele weken van droogte. Ze trokken met duizenden. Overal op de rivier zag je ze ‘head and tailen’ en dat is een goed teken. Hier op het meer zag je ze af en toe springen. Een zilveren schicht die meestal al weer verdwenen was als je eenmaal de plons hoorde. Meestal hoorde je een plons, maar als je dan keek zag je alleen nog de kringen. Ik had er al een gemist die dag, twee forellen gevangen en nu dus had ik die heuse zalm uitgedrilt. Dag der dagen. In die hilarisch gekke ‘routine’ van een mooie vis vangen, had ik opeens in een wat merkwaardige fixatie wat langer naar die zilveren vis gekeken, gezien wat ik nog niet eerder aanschouwde. In een flits zag ik die grote grauwe zee bij Groenland. Erin de duizenden zilveren vissen, uitgestreden hangend in de lange netten. De vele honderden die te nouwer nood aan de kilometers lange netten ontkomen waren. Die zeehonden en zeeluipaarden ontweken, Orka ‘s te snel afwaren. Die hoog sprongen, keer op keer, om de watervallen en stroomversnellingen te overwinnen, vissen die kilometers tegen de venijnige stroom opzwommen. De lepels en spinners negeerden, of de lijnen braken van de oogstende mens. Die uiteindelijk het kalme water van een groot meer opzwommen, om vervolgens weer snel voort te maken naar hun paaistroompjes hoog in de heuvels van Mayo. Ik hield die vis in m’n handen, zag die kop die al zo veel water had doorklieft. Het zilver, van zachtgroen naar ijsblauw, de groepen zwarte halve maantjes op de schubben en ook de zeeluizen. Dat oog wat al zo veel gezien moest hebben, de grauwende muilen van de Orca ‘s, de diepe groenen en patholeen blauwen onder kathedrale ijsbergen in de oceanen. Een vis die gezwommen had naast bultruggen en boven blauwe vinvissen. Die in de donkerblauwe oceaannachten op de melacholische fluitentonen van walvissen had gezweefd, een diep klagelijk geluid waar de triestheid van het bestaan zelf uit opklonk. In dat oog zag ik in een fractie van een seconde een paarsblauwe vonk, zacht sidderend, diep en ver weg opgeborgen in het diepste zwart van de pupil. De resterende vonk van leven, als een zacht hulpverstrekkend lichtje flakkerend in de nacht. Het was zijn leven waar ik over ging, op dit moment. Erger dan een Orca, vuiler dan een luipaard. Was ik de heerser over leven en dood? Ik schrok me opeens te barsten. Zette ik hem snel terug.

Ik ving ook een grote forel vorig jaar mei. Ik verspeelde er zeker twee van een gelijkwaardig gewicht. We vingen er veel in die drie dagen. Andries en ik, onder de deskundige leiding van John Flynn onze boatman. Want de meivlieg was er. Nog wel niet optimaal en met eigenlijk nog te koude hoge winden, maar toch ze stegen naar meivliegen. Het oogsten op de Ierse meren was begonnen. Iedere avond lagen de vissen op de marmeren tafel tijdens de weigh inn. Als vanzelfsprekend op de kop getikt en meegenomen. De forellen stegen ook op de meivliegen van ons. Met regelmaat. Zodoende mistten we er toch nog best veel. Dus haakte ik haar in een kalme hoek van lough Cullin. John riep meteen al dat het een goeie was. Ze vocht voor alles wat ze waard was, maar belandde toch, uiteindelijk in het net van John. Ik onthaakte haar en bewonderde de tekening van deze puur wilde vis. Ponden zwaar. John stond al klaar met de priest. “But… John..eh…” Andries zag het. Andries zag de ontreddering op mijn gezicht, want ik wist het even niet meer helemaal, allemaal zo heel erg precies. Dus zei Andries; “John, I think, Adrian likes to release this fish again.” John keek naar me, lachte en zei gelukkig: “Jeez it ‘s his fish! He can do with it what ever pleases him. There surely would be much more fish in this lake if everybody acted like your friend”. Dus.. en dus… Andries knipoogde toen ik haar terug liet glijden. En ik meen, maar dat kan natuurlijk eigenlijk niet, dat zij dat ook deed.

Wie de natuur ongekunseld en puur aanschouwt kan er niet omheen dat die natuur snoeihard met zichzelf omgaat. Dat zie je inderdaad ook op Discovery. Maar eerlijk gezegd en tussen ons, word ik een beetje murw van die eeuwige grauwende leeuwen, cheetahs, gieren, krokodillen en haaien die allemaal steeds diezelfde Tomson gazelle nazitten en afkluiven tot op het bot. En dat steeds maar weer. Je kunt ook overdrijven in rondspetteren met bloed, ook al heb je er genoeg van. Een Cheetah is een Cheetah en een egel een egel. De op gruwelijke wijze opgevreten Cheetah jongen leefden in de Serengeti, maar die egel ligt plat gereden op mijn pad. Dat is dichterbij, begrijpelijker en niet minder erg. Mijn zoontje Pieter kwam vorige week zondag binnenrennen. Hij vertelde met grote ogen dat er bij een schaap de kop van een lam naar buiten hing. We keken. Dus belde ik Henk de buurman van de schapen. Achteraf bleek het lam niet meer te redden. Henk zei. “Als je er maar op tijd bij bent dan kun je zo’n hooffie nog terugduwen, want eerst moeten de pootjes eruit. Ik had ‘s morgens al wel een paar keer gekeken, maar ja… ” Mijn dochter Floor(7) was samen met Janiek (van Henk) ook gaan kijken. Pieter hoefde niet zo. Dan staan ze dus opeens weer tussen de tuindeuren. “Nou..eehh.. en toen heeft de dierenarts z’n hoofd eraf gesneden met een mes. Met heeeeel veel bloed. Dat was best wel sieleg…”, geschokt kijken Paulien en ik elkaar aan! “… Maar dat gaf niets meer hoor, zei Henk..”, vervolgt ze “… want hij was toch al hartstikke dood…” Warrelend met hun vlechten huppelen ze de tuindeuren weer uit.

Ik heb ook iets met hazen. Ik vind het ongeveer het meest aandoenlijke dier wat je kunt tegenkomen. Dat komt waarschijnlijk vooral door hun harde manier van leven. Altijd buiten, in regen en vorst. Hoe bestaat het. Voor het tijdschrift Seasons, moest ik een verhaal over het vroege voorjaar maken. Dus seinde ik wat vrienden in, omdat ik zo graag jonge hazen wilde fotograferen. Dat lukte maar niet. Twee jaar geleden al niet en afgelopen voorjaar ook niet. Tot dat Gerrit van de Weg vorige week belde. Hij was er drie tegengekomen. Gerrit is behalve boer, ook een gepassioneerd weidevogel beschermer, als zodanig kijkt hij veel in zijn eigen weilanden. “‘t Zijn er drie Ad. Ze liggen vlak bij elkaar, en ik hoop voor jou dat ze er morgen nog liggen. Blijf er niet te lang bij, want ik ben bang dat anders de vos ze, op jouw spoor, vindt. Vincent wijst ze je wel”. Ze waren er dus nog, de volgende morgen. Vlak tegen elkaar aangedrukt, tegen zo ongeveer het enige wat hogere polletje gras in een groot, kaal en guur doorwaait weiland. Donkergrijze vacht met erop een soort lichtgrijs dons. Grote oren en glanzende oogjes, die werden dichtgeknepen als ik me bewoog. Zo kwetsbaar als de pest. Ik rauzde er in een halve minuut een film door, daarna zijn we weer snel weggegaan. Wat ik slechts even kort aanschouwde was de natuur op z’n hardst; stil blijven liggen tot je moer je ‘s nachts komt zogen. En maar hopen dat geen vos (of wat dan ook)je spoor oppikt. Pikt de vos het wel op dan heb je drieweg pech.

Wie een vis wil meenemen voor consumptie, moet dat vooral blijven doen. Want dat doe ik ook, als het moet of wanneer ik het wil. Daar moet je vooral duidelijk over zijn en helemaal niet moeilijk over doen. Maar je moet er wel over nadenken, het weten. Weten wat je doet, aanricht, weten waar het vandaan komt, hoe het er komt, het leeft, het zich voortplant en vooral wanneer. Een vis, zelfs een vis bezien zoals dat hoort. Met begrip. Daar mag ook best enig gevoel bij komen kijken. Want daar is, vind ik, helemaal niets mis mee. De wereld gaat toch al aan gevoelloosheid ten onder. Dus wie nog ergens wat heeft…

Ad Swier.